Voorwoord
Dit document beschrijft een misdaad in 1981 begaan. Het verhaal is tevens te beschouwen als een reconstructie van de gebeurtenissen die niet beschreven zouden zijn als politie en justitie hun werk hadden gedaan.
Waarom pas nu? Het antwoord is niet eenvoudig. Voorop staat dat wij, broers en zussen van het slachtoffer het er destijds niet bij hebben laten zitten. Dit initiatief is geen inhaalslag.
Inge, mijn twee jaar oudere zus, overleed in 1981 op 30 jarige leeftijd onder dubieuze omstandigheden. Wij, broers en zussen, hebben in het jaar van haar overlijden alles ondernomen om de waarheid boven water te krijgen. Door een onbegrijpelijke houding van politie en justitie bleek dat onmogelijk.
We waren jong en onervaren. Wat we ook aanvoerden het was niet genoeg omdat we niet wisten hoe we het aan moesten pakken. Wat ook tegen ons werkte was dat ons was geleerd het hoofd te buigen en te luisteren naar het gezag. Het waren foute ambtenaren, de tijdsgeest en de omstandigheden die ons de mond hebben gesnoerd.
Een jonge vrouw overleed, was het wat het leek, zelfmoord, of misschien toch moord? Het is de eerste vraag die een politieman zich moet stellen. Waarom heeft er geen onderzoek plaatsgevonden?
Twee vragen met een eigen verhaal. Het was een misdrijf, de verdenking van toen is het weten van nu. Dat die alleszins redelijke verdenking van schuld ondanks alle donkere aanwijzingen niet werd onderzocht is alsof ze twee keer werd vermoord.
Na alles wat in de jaren tachtig tevergeefs werd ondernomen en na alles wat de afgelopen jaren opnieuw werd geprobeerd om iets van de grond te krijgen is de geschiedenis beschrijven en gedocumenteerd publiceren mijn laatste optie. Wat het resultaat ook moge zijn, het zal enigszins recht doen aan mijn zus en onze ouders die niet hebben geweten wat hun dochter werd aangedaan, tijdens haar leven en na haar dood. Dit is een geschiedenis die niet met het slachtoffer wordt begraven.
Het schrijven betekent voor mij meer dan het noteren van de feiten. Ik heb dit drama nooit afgesloten, haar overlijden nooit helemaal verwerkt. Ik heb destijds niet gerouwd, daar was geen ruimte voor.
Het gevoel dat me tijdens het schrijven bekroop, de waarheid vertellen voor wie het lezen wil is van grote waarde omdat er een eind komt aan vijfenveertig jaar zwijgen.
Hoewel ik hoop dat het iets in werking zet is het tevens een eerbetoon aan mijn zus, onze ouders en anderen die tijdens haar leven en na haar dood voor haar op zijn gekomen.
Cynisch genoeg moet ik de politie Dordrecht en de Nationale Ombudsman ergens dankbaar zijn want zonder hun ‘support’ zou ik dit niet hebben geschreven.
Voor een beter begrip van de geschiedenis wat uitleg vooraf.
Ik beschouwde me als een vriend van B, mijn zwager en was niet op de hoogte van zijn manier van omgaan met Inge, mijn zus. Dat maakte dat ik zeker de eerste dagen na haar overlijden totaal niet door had wat er speelde.
De opbouw van het dossier is gestart met mijn klacht bij het Medisch Tuchtcollege tegen de huisarts in 1981. Ik achtte hem schuldig aan haar dood. De stukken die gedurende het proces dat bijna twee jaar in beslag nam verzamelde ik in een map. Dat vormde de basis van het dossier. Zonder de klacht tegen de huisarts zou er geen dossier zijn en zou dit misdrijf voor altijd verborgen zijn gebleven.
In 1983 na het hoger beroep heb ik het dossier noodgedwongen moeten sluiten. Wat me restte was de hoop dat het ooit door haar kinderen zou worden gelezen.
Ruim veertig jaar later nam ik het dossier voor het eerst in zijn geheel door. Met de informatie van haar kinderen en de familieleden die haar hebben bijgestaan kreeg ik meer zicht op het hoe en waarom. Vragen, ontbrekende stukjes, zelfs die waarvan niemand wist dat ze ontbraken, kregen een invulling.
Er was al lang geen reden meer waarom ik zou twijfelen over een dader. Die dader was er. Bij een normaal onderzoek zou hij als verdachte aangemerkt door de mand zijn gevallen. De in scene gezette zelfmoord en zijn doorzichtige leugens zouden het niet hebben gered. Omdat er nooit een onderzoek heeft plaatsgevonden werd de dader als zodanig niet herkend.
Waarom zijn er geen vragen gesteld? Waarom werd er niet gereageerd op het veelvoud van signalen te herleiden uit de omstandigheden. Waarom werd er niet gereageerd op de alarmbellen afgegeven door de familie van het slachtoffer.
De feiten liegen er niet om waar het de houding van politie en justitie betreft. Dit gaat veel verder dan dom plichtsverzuim. Persoonlijk zie ik het als schuldig plichtsverzuim en wel zodanig dat het lijkt alsof er bewust is meegewerkt aan het verhullen van het misdrijf.
Het beeld waar het de politie en de officier van justitie in Dordrecht betreft is platvloers, beschamend. Dat geldt voor het opsporingsapparaat van toen maar ook voor dat van nu en dat laatste lijkt vanwege de belangstelling voor alles wat met femicide te maken heeft in strijd met datgene wat ons bestuur daar over uit wil stralen.
Het dossier zal voor zich spreken. Het is de basis voor de reconstructie van een drama dat niet stopte bij het overlijden van het slachtoffer. Wat daarna volgde had en heeft grote consequenties. Voor de wijze waarop aan Inge wordt gedacht, hoe aan haar wordt gedacht en hoe over haar wordt gedacht.
Het is een gevoelig en onnodig uitvergroot drama. Voor alle nabestaanden, met name voor onze ouders die hun kind Inge hebben grootgebracht, haar alles hebben gegeven en niet alleen haar maar ook haar kinderen hebben moeten missen in hun verdere leven.
Aanvullingen op het dossier worden met het benoemen van de bron verwerkt in de tekst. Het oorspronkelijke dossier zoals het als een bijlage bij de klacht naar de Nationale Ombudsman is gegaan bestaat uit 12 onderdelen.
Neem met het verhaal goed kennis van bijlage I, het proces-verbaal.
Denk daarbij aan het volgende:
Een proces-verbaal is niet zomaar een beschrijving van een gebeurtenis. Het is een officieel en belangrijk document waarin alles vermeld dient te worden dat van belang kan zijn bij het vaststellen van de waarheid. Een proces-verbaal wordt afgesloten met de verklaring van de verbalisant dat hij het naar waarheid heeft opgemaakt.
In het geval van een verdenking van zelfmoord moet alles worden nagegaan, dient alles te worden uitgesloten, dat in een andere richting zou kunnen wijzen dan zelfmoord. De beschrijving daarvan is een wezenlijk onderdeel van het proces-verbaal.
Met dat in het achterhoofd. Neem kennis van het proces-verbaal waar dit in het verhaal ter sprake komt. Lees het na het hele verhaal tot u te hebben genomen nogmaals en denk aan al datgene dat er niet in staat.
1981
9 april 1981 herinner ik me als een zonnige donderdagmorgen. Ik maakte er in die dagen bijna een gewoonte van om iets te laat te zijn en had me haastig omgekleed. Mijn stropdas straktrekkend liep ik de meldkamer in waar ik me mengde tussen collega’s die voor de balie samendrongen om het dienstrooster te bekijken.
De meldkamerassistent achter de balie onderbrak zijn onderonsje met de brigadier van dienst zodra hij me zag.
Hij kwam naar me toe en vroeg:
‘Heb je een zus in Dordrecht?’
Overrompeld door de onverwachte vraag aarzelde ik en knikte. Hij had het over Inge, mijn op een na oudste zus.
‘Ze is dood… zelfmoord’.
Dat was alles wat hij zei. Over de balie hangend wachtte vervolgens hij op een reactie die niet kwam.
De schok versterkt door zijn onbehouwen ongevoeligheid werkte verlammend.
Totaal van slag heb ik hem aangestaard.
Dat duurde tot hij zich leek te realiseren dat zijn aanpak misschien niet okay was. Hij ging wat ongemakkelijk recht staan, trok zijn gezicht in een passender plooi en wachtte af.
Niet in staat iets te zeggen bleef ik hem aanstaren.
De brigadier die het op de achtergrond had gevolgd schoot te hulp. Hij schoof zijn assistent met zachte drang opzij, condoleerde me en gaf me verlof om te gaan.
Verdoofd ben ik de trap naar de garderobe afgelopen waar ik me om heb gekleed. Vervolgens heb ik mijn verloofde opgehaald van haar werk en ben met haar naar Dordrecht gereden. Onderweg was het stil. Alleen met mijn gedachten worstelde ik de hele weg met de vraag die me jaren bezig zou houden. Wat was er gebeurd?
Bij de woning die ook voor haar een veilige haven had moeten zijn wachtte de harde werkelijkheid. Ineens was ze er niet meer. Naar de woning kijkend voelde ik intens verdriet toen tot me doordrong dat ik mijn zus nooit meer zou zien.
Dat ze er een eind aan had gemaakt stemde bitter maar die bitterheid gold niet haar. Hoe eenzaam, aan je lot overgelaten moet je je voelen als je zo uit het leven stapt.
Zoals iedereen wist ik dat het niet goed ging in hun huwelijk. Dat het zo diep zat, zo dramatisch zou verlopen had ik, had niemand aan zien komen.
Zelfmoord als verlossing was de ultieme verschrikking voor ons, nabestaanden. Maanden later kreeg ik het overtuigende bewijs dat er inderdaad maar één persoon verantwoordelijk was voor haar dood, maar dat was niet mijn zus Inge.
Te druk met mijn bestaan wist ik tot aan haar overlijden weinig over het hare. Het beeld dat ik had was dat ze last had van depressies en zich niet langer happy voelde in haar huwelijk. Ze was de enige niet wiens relatie strandde en mijn oudste broer, oudste zus en hun partners deden er van alles aan om haar met de kinderen een uitweg te bieden. Ze haalden haar uit het huwelijk, weg uit de relatie die haar uiteindelijk het leven zou kosten. Ze hebben haar met de kinderen in huis genomen en een nieuwe start gegeven. De kinderen gingen in die andere stad al naar school en toch ging het weer fout.
Hoe hij voor elkaar kreeg begreep niemand. Waarschijnlijk is hij ze gevolgd, heeft hij ze in een onbewaakt ogenblik aangesproken en bewerkt. Ze heeft zich weer in laten pakken en is met de kinderen bij hem ingestapt. Zonder anderen iets te zeggen heeft ze zich terug laten brengen naar Dordrecht, naar een huwelijk dat al lang niets meer voorstelde.
Voor mijn broer en zijn vrouw die niet beter wisten dan dat Inge blij was met de positieve wending in haar leven kwam de ontdekking dat ze terug was gegaan als een enorme schok.
De angst om de kinderen kwijt te raken heeft ongetwijfeld de grootste rol gespeeld. Hij had daar herhaaldelijk mee gedreigd en haar angst was niet ongegrond. Hij kon heel innemend zijn en gewiekst als hij was had hij een vals beeld van zichzelf gecreëerd als bezorgde echtgenoot. Zo moet hij de huisarts, maatschappelijk werk en de politie een rad voor ogen hebben gedraaid.
Zijn vrouw was schuldig aan het falen van hun huwelijk. Ze was geestelijk niet in orde, had hem en de kinderen in een beklagenswaardige positie gebracht. Zij was de oorzaak van alle ellende. Dat moet het beeld zijn geweest dat klakkeloos werd overgenomen door de politie.
Dat het wederom niet lukte met hun relatie was onvermijdelijk. Na enige tijd verliet ze hem weer en ging bij onze oudste zus in Duitsland wonen. Zoals eerder was gebeurd wist haar man opnieuw contact te leggen en haar zodanig te bewerken dat ze met hem terugkeerde naar Dordrecht. Terug naar wat een afschuwelijke, giftige relatie bleek te zijn.
Ik zag het als een ongeluk. Met haar laatste schreeuw om aandacht was ze te ver gegaan. Haar overlijden was het trieste gevolg van hun stukgelopen huwelijk. Zo’n droevige gebeurtenis was mij als agent niet vreemd maar dit was Inge, mijn lieve zachtaardige zus die wanhopig moest zijn geweest.
Ik voelde me schuldig. Ze had me een maand of drie eerder gebeld. Ze was verdrietig, zei dat ze het niet meer wist. Het voelde ongemakkelijk want ik wist wel iets van haar depressies maar had geen idee hoe ik daar mee om moest gaan. De hulp van mijn oudere broer en zus had niets uitgehaald, wat kon ik nog? Ik heb me er van af gemaakt met wat nietszeggende troostende woorden ‘Het komt wel goed’.
Dat was mijn laatste contact met haar en toen was ze dood.
Op die rampzalige dag sprak ik met haar echtgenoot. Ze had hem ’s morgens, op de dag die vooraf ging aan haar overlijden, verteld dat ze de dag daarvoor antivries had ingenomen. Hij had de dokter gebeld die het aanhoorde en daarna de conclusie trok dat er inmiddels zoveel tijd was verstreken dat een visite geen zin had.
Gelet op de trieste afloop viel die huisarts heel wat te verwijten. Na telefonisch in kennis te zijn gesteld van de vergiftiging van zijn patiënte ondernam hij niets. Hij nam niet de moeite om haar te bezoeken om te kunnen beoordelen of ze hulp nodig had. Haar overlijden had wellicht voorkomen kunnen worden. Het had er alle schijn van dat de laakbare houding van de huisarts had geleid tot haar overlijden. Het was een bittere conclusie die niet zonder consequenties mocht blijven. Aangespoord door wat mijn zwager mij had verteld richtte ik me op de huisarts.
Geen moment koesterde ik een verdenking naar mijn zwager met wie ik sinds mijn jeugd een goede band had. Die stamde uit de tijd dat hij bij ons had ingewoond. Mijn oudere broers en oudste zus waren al het huis uit. Inge vormde met B. een koppel waar ik naar opkeek en met wie ik het goed kon vinden. Dat maakte dat ik anders naar hem keek dan mijn oudere broers en oudste zus. Daar komt bij dat ik een diepgewortelde karaktertrek bezit en dat is dat ik loyaal ben. Ik kan niet zomaar stelling nemen tegen iemand die ik goed meen te kennen.
Maar loyaliteit heeft te maken met vertrouwen en dat heeft in mijn leven niet altijd goed uitgepakt.
Op de dag van het overlijden van mijn zus nam ik mijn zwager tegenover mijn broers en zussen in bescherming tegen wat ik zag als onredelijke aantijgingen, voortkomend uit verdriet en frustratie. Maanden later besefte ik hoeveel ogen er direct op B gericht moesten zijn geweest als zinde de oorzaak van haar overlijden, linksom of rechtsom. Zeker die eerste dagen had ik dat niet. Ik zag hem als de aardige oudere zwager uit mijn jeugd en zo trad ik de situatie tegemoet.
Met zijn versie van het drama heeft hij me misleid en op het spoor van de huisarts gezet. Los van alle bedenkingen tegen B. was zijn huisarts overigens wel degelijk medeschuldig aan het overlijden van zijn patiënte.
‘Je mag hem er niet mee weg laten komen’ was mijn reactie toen mijn zwager zijn verhaal had gedaan. ‘Je moet een klacht indienen’.
Hij aarzelde, keek me verontschuldigend aan en antwoordde: ‘Dat doe ik liever niet, hij was altijd een goede dokter voor de kinderen’.
Dat voelde vreemd, ongepast, weinig respectvol naar zijn overleden vrouw. Ik begreep het niet, vond het een idioot excuus maar ging er niet tegen in. Het was niet het moment.
De klacht tegen de huisarts moest worden ingediend, dat stond voor mij als een paal boven water. Om mijn zwager een uitweg te bieden bood ik aan dat op me te nemen.
Zichtbaar opgelucht reageerde hij met een dankbare glimlach: ‘Als je dat zou willen doen.’
Het was raar, maar wat is normaal in zo’n situatie.
Op de dag van de begrafenis werd ons gevraagd hoe wij wilden dat Inge tijdens de afscheidsceremonie werd opgebaard. Wilden we dat de kist open bleef of moest hij dicht? Een normale vraag die waarschijnlijk bij zo’n situatie hoort, maar hier voelde ik dat de man het niet zomaar vroeg. Met broers en zussen betrad ik de rouwkamer en wierp een blik op wat eens het mooie gezicht van mijn zus was geweest. Ik schrok me wezenloos. Het was traumatisch die laatste keer dat ik haar zag. De aanblik van haar door pijn en smart vertrokken gezicht op een afschuwelijke manier ontsierd door diepblauwe en paarse vlekken was meer dan ik verdragen kon. Geëmotioneerd heb ik me afgewend en met klem bepleit dat de kist dicht moest.
Bij de anderen was er een aarzeling. Voor onze ouders was het de laatste mogelijkheid om hun geliefde dochter te zien. We hadden geen keus. De kist moest dicht. Het was een vreselijke laatste herinnering die mijn intens verdrietige ouders bespaard is gebleven.
Dat beeld is nog steeds heftig als ik het voor me zie. Het is een uitdrukking van pure pijn welke ik naast de vele dierbare herinneringen aan mijn zus voor altijd bij me draag. Na het ontsluiten van het dossier ben ik er echter anders naar gaan kijken. De herinnering kreeg een andere, diepere betekenis. Dat smartelijk vertrokken gezicht dat pure pijn uitdrukt is een schreeuw om rechtvaardigheid geworden.
Ze kreeg geen normale begrafenis. Er was ingetogenheid, verdriet, maar over alles hing een ongemakkelijke sfeer. Een spanning die niet door iedereen werd begrepen. Er hadden kleine incidenten plaatsgevonden in de vorm van emotionele verwijten, maar er was niets gebeurd dat uitgelegd had kunnen worden als dreiging of een bedreiging aan het adres van mijn zwager.
Hij moet het zo wel bij de politie hebben gebracht. Dat bleek bij de begrafenis uit de aanwezigheid van politie in burger. Voor wie het wist voelde het als een ongepaste inbreuk op de privacy, vanwaar dat wantrouwen? Het veroorzaakte onnodig extra spanning en creëerde een vreemde onaangename sfeer.
Tijdens de afscheidsceremonie sprak mijn oudste broer een paar woorden namens de familie. Hij brak waarop B reageerde met een toneelstukje waar ik de bedoeling niet van begreep. Was het om uit te dagen? Was het voor de bühne, voor zijn familie? Toen ik later vernam dat er politie in burger bij was geweest viel het kwartje. Het was een showtje voor zijn vrienden bij de politie om te laten zien hoe kapot hij was en hoe verknipt onze familie. Het was een zielige vertoning, zelfs zijn politievrienden wisten niet waar ze moesten kijken.
Alles wijst er op dat B, voordat er ook maar iemand van ons in beeld was, de politie zodanig had bewerkt dat ze overtuigd van zijn gelijk, zonder wederhoor zijn kant hadden gekozen.
Niet erg professioneel, maar vooruit, het kan dat ze zich in eerste instantie hebben laten misleiden door zijn gladde praatjes.
Verklaringen van ons, de familie van het slachtoffer, had ze op het rechte spoor moeten zetten maar daar werd geen contact mee gezocht. Toen dat contact op ons initiatief tot stand kwam weigerden ze te luisteren. Al onze argumenten werden zonder ergens op in te gaan direct verworpen. Van die lijn zijn ze tot op de dag van vandaag niet afgeweken.
Dat was en is een raadsel, heel fout, heel onprofessioneel. Enorm onrechtvaardig ook, tegenover het slachtoffer en ons, haar familie.
Terugkijkend op die periode heb ik naar mijn zwager gekeken, ik zag het maar besefte niet wat het betekende. Ik zag hoe relaxed, hoe onaangedaan hij alles onderging, legde dat uit als berusting. Waarschijnlijk heb ik me laten leiden door het gevoel dat ik moest voorkomen dat er heisa zou ontstaan. Ik moest hem in bescherming nemen om te voorkomen dat hij zich van ons af zou wenden. Ik dacht aan de toekomst, aan mijn ouders, aan het contact met de kinderen.
Hoe kon ik denken dat de zwager met wie ik het altijd goed heb kunnen vinden, met wie ik in vakanties had gewerkt, met wie ik onder een dak heb geleefd, mijn zus, zijn vrouw, de moeder van zijn kinderen, iets aan zou kunnen doen. Zoals eerder vermeld had ik in tegenstelling tot mijn oudere broers en zussen sinds mijn jeugd een goede band met hem waardoor ik anders naar hem keek.
De emoties en boosheid bij mijn broers en zussen kon ik niet plaatsen omdat ik weinig tot niets wist van wat zich binnen het huwelijk had afgespeeld. Hun gedrag beleefde ik als kinderachtige niet passende emotionele uitingen van oud zeer, zinloos en ongepast. Ze mochten hem niet, hadden hem nooit gemogen, maar vanwege Inge slechts geduld. Dat ze was overleden was zijn schuld.
B. was zeker niet schuldloos. Hij was in 1973 vreemd gegaan en hoe het verder tussen hun was gegaan wist ik niet. Inge’s depressies hadden er ongetwijfeld mee te maken maar hem direct haar dood verwijten ging me te ver.
Ik accepteerde geen zelfmoord maar zag haar overlijden als een ongeluk. Waarschijnlijk kreeg ze na de geboorte van de kinderen last van postnatale depressies. Triest maar bij een jonge moeder niet uniek. Bij haar leek het niet helemaal voorbij te gaan en soms had ze last van langere depressieve periodes. Dat er meer aan de hand was wist ik niet maar dat kan ik alleen mijzelf verwijten. Ik hoorde wel eens wat maar voelde geen urgentie om door te vragen. Liet het aan mijn ouders, oudste broer en oudste zus over om er iets mee te doen. Ik woonde ver van alles af, was in die tijd niet happy met mijn werk, zat om die reden al drie jaar op een avondschool en had het vooral heel erg druk met mezelf.
Tegen de tijd dat wij bij het huis arriveerden was het politieonderzoek al geruime tijd afgerond. Het stoffelijk overschot was overgebracht naar het mortuarium en mijn ouders helemaal stuk, waren als onderweg naar huis.
De kinderen zagen we niet, die had B vroeg in de ochtend bij de buren gebracht. Toen dacht ik dat het was om ze te ontzien. Nu denk ik dat het wellicht niet de enige reden was en dat hij voorzichtigheidshalve heeft willen voorkomen dat er contact was tussen de kinderen en de politie. Wie zal het zeggen, misschien had het iets aan het rollen gebracht. Om het verdriet niet groter te maken dan het was hebben wij in het bijzijn van de kinderen nooit over het overlijden van hun moeder gesproken.
In verband met de klacht bij het Medisch Tuchtcollege kreeg ik maanden na het overlijden van Inge de bij het college ingediende stukken van de tegenpartij toegestuurd. Daar zat het een en ander bij dat van grote betekenis bleek te zijn. Onder andere het proces verbaal en een schrijven van B waarin hij mijn familie en mij in het bijzonder zwart maakte.
Het was alsof de voorzienigheid ons te hulp schoot want als ik die stukken niet had gekregen had niemand geweten wat er met al die belastende verklaringen en aangevoerde feiten was gebeurd. Niets dus. Alles wat B belastte was buiten het proces-verbaal gehouden. Volgens de datering werd het proces verbaal van bevinding op de dag van overlijden afgesloten. Uit de inhoud blijkt dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Een summiere weergave van de bevindingen van de huisarts die haar in de steek had gelaten en de verklaring van de man die schuldig is aan haar dood is geen onderzoek.
Belangrijke feiten zijn niet onderzocht en omdat ook uit de correspondentie blijkt dat bij de politie genoegzaam bekend was dat de familie van het slachtoffer ernstige bedenkingen tegen haar echtgenoot had, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat alles wat belastend was met opzet uit het proces-verbaal is geweerd.
Vrede met het overlijden was er niet hoewel ik aanvankelijk neigde te geloven wat mijn zwager had verteld. Vanaf het eerste moment dachten anderen daar dus anders over. Naarmate de week verstreek kwamen er vragen boven drijven die een onderzoek, ook vanuit mijn point of vieuw, alleszins rechtvaardigden. Al was het maar om iedere verdenking tegen mijn zwager weg te nemen.
Politie en justitie wilden er niet aan. Zij hadden het boek gesloten op dag één en wilden dat zo houden. Uit de stukken die ik vele maanden na het overlijden onder ogen kreeg bleek dus dat ze niet verder zijn gegaan met hun zogenaamde onderzoek dan de dag van overlijden. Buiten haar echtgenoot en de dokter is er afgaande op het proces verbaal niemand gehoord.
Voor de politie Dordrecht en de daar aan gelieerde officier van justitie was het een afgeronde zaak waar niet aan te tornen viel, zelfmoord.
Wat we ook probeerden, wat er ook werd aangevoerd alles werd ontkend, bij voorbaat als onzin weggezet. Het was allemaal niet waar, verzinsels voortkomend uit het gevoel dat we onze zus moesten wreken.
Ik herinner me als de dag van gisteren hoe we na een van die gesprekken het politiebureau in Dordrecht in opperste verwarring, vernederd en met een beschamend gevoel van machteloosheid verlieten. De manier waarop dat gesprek was gegaan was uitermate kwetsend, pijnlijk voor ons als nabestaanden.
Inge was mogelijk door een misdrijf om het leven gekomen en wij haar broers en zussen kregen het niet voor elkaar dat er naar ons werd geluisterd.
Persoonlijk begreep er nog minder van. Wat was er gebeurd dat collega’s uit de politiewereld zo’n beschuldigende houding aannamen? Hoe was het mogelijk dat ik de politieman binnen de familie niet bij machte was om dat te doorbreken. Dat laatste was iets waar ik me tegenover mijn familie diep voor heb geschaamd.
Over Inge werd door de rechercheurs niet gesproken. Ze zeiden weinig of niets over de gebeurtenis. B was in hun ogen een slachtoffer en wij waren daders die zich moesten schamen, daar kwam het op neer. Waarom? Wat had ik gemist?
Er was niets gebeurd en er werd niets door de politie Dordrecht aangevoerd wat aangemerkt had kunnen worden als een uiting van agressie of bedreiging. Het feit dat er verdenkingen waren tegen B vonden ze niet kunnen en dat wreven ze ons in.
Die twee politiemensen in Dordrecht waren niets meer dan een paar domme vooringenomen hufters met een pet op. Ze stonden vanaf het begin aan de kant van B en wilden van ons niets, maar dan ook helemaal niets weten. Waar haalden ze het recht vandaan?
Was het alleen dommigheid? Dat kon er bij mij niet in, zo dom kan niemand zijn. Hij had ze waarschijnlijk ingepalmd met mooie praatjes en heftige verzonnen verhalen. Als verklaring voor hun opstelling voelde dat niet echt bevredigend aan maar wat dan?
Ik bleef tasten in het duister tot ik jaren later iets hoorde dat sterk rook naar belangenverstrengeling of met een vies woord corruptie.
Het gelogen verhaal van een man die zijn vrouw misbruikte, mishandelde en mogelijk vermoordde woog voor de politie Dordrecht zwaarder dan alle getuigenissen en feiten die familieleden tegen hem hadden aangevoerd. Vier van die familieleden hadden uit de eerste hand, van het slachtoffer zelf gehoord wat voor vreselijks hij haar had aangedaan. Geen letter van dat alles heeft het papier gehaald. Dat is wat maanden na haar overlijden bleek uit het proces-verbaal.
Het proces-verbaal dat op 9 april 1981 werd afgesloten met de woorden;
‘Er zijn in het geheel geen sporen gevonden, die er op zouden kunnen wijzen dat er opzet of schuld van derden aanwezig was.
Waarvan door ons naar waarheid is opgemaakt dit proces-verbaal op donderdag 9 april 1981’.
Het is een belediging van alles waar ze voor hadden moeten staan.
De blunders die ze op de eerste dag begingen waren zo groot dat ze het niet hebben gewaagd een aanvulling op het proces verbaal te geven. Het gevolg zou een allesomvattend onderzoek zijn geweest waar ze niet goed uit waren gekomen. Liever dan dat bleven ze bij de versie van de eerste dag waarmee ze het hele proces-verbaal tot een grote leugen hebben gemaakt.
De klacht tegen de huisarts werd door mij op 17 april 1981 bij het Medisch Tuchtcollege ingediend. In de eerste reactie van het college werd mij gevraagd waarom B. zelf de klacht niet in had gediend. Om dat te bespreken ondernam ik diverse pogingen om met hem in contact te komen. Hij reageerde nergens op, leek ieder contact te vermijden wat ik niet begreep. Het drong aanvankelijk niet tot me door dat hij me opzettelijk vermeed. Toen dat besef doorsijpelde was ik verbaasd en verward omdat ik het niet begreep.
Het klinkt me nu vreemd in de oren maar ik had nog steeds niet in de gaten wat voor spelletjes hij speelde. Ik had inmiddels wel iets opgevangen van de ellende die zich binnen het huwelijk had afgespeeld maar kon of wilde er nog niet echt aan.
Het College aanvaardde mijn uitleg, accepteerde mij als rechtstreeks belanghebbende waarna de klacht in behandeling werd genomen.
De verdediging van dokter P. nam maanden de tijd om op de klacht te reageren. Uit de stukken van de advocaat die mij door het Medisch Tuchtcollege werden toegezonden bleek dat de arts uit onverwachte hoek steun had gekregen. Ik zakte door de grond toen ik las wat B. in zijn brief aan de advocaten van dokter P. over me schreef.
B. die om voor mij tot dan toe onbegrijpelijke redenen ieder contact met mij vermeed nam het op voor Dr. Post. Hij schroomde daarbij niet om mij een dolk in mijn rug te steken en schreef een brief vol leugens. Het had er alle schijn van dat hij alles wilde doen om te voorkomen dat de handelswijze van dokter Post door het Medisch Tuchtcollege zou worden veroordeeld. Hij had er waarschijnlijk geen rekening mee gehouden dat ik een kopie van dat schrijven zou ontvangen. Het vormde het keiharde bewijs van een schuldige leugenachtige houding.
Het kwam hard aan. Tot aan dat moment, ondanks alles wat tegen hem sprak koesterde ik nog steeds de hoop dat hij onschuldig was.
Dat was in een keer weg. De leugens lagen er zo dik op dat het voor mij vanaf dat moment vast stond dat hij haar opzettelijk dood heeft laten gaan dan wel opzettelijk om het leven heeft gebracht.
Dokter P. was een slappeling, schuldig aan het niet verlenen van medische bijstand toen daar alle aanleiding toe was. Om zich vrij te pleiten was hij afhankelijk van B. die daar gretig gebruik van heeft gemaakt.
Om te voorkomen dat de huisarts iets zou verklaren dat in zijn nadeel kon werken pleegde hij karaktermoord op de enige persoon die voor hem was opgekomen. Hij offerde mij op niet mis te verstane wijze op om het straatje van dokter P. schoon te vegen. Hij betwistte in zijn schrijven ook mijn recht om de klacht in te dienen terwijl hij zich op de dag van het overlijden van zijn vrouw nota bene dankbaar toonde omdat ik dat op me wilde nemen.
Dit te lezen was schokkend. Ik heb er grote moeite mee gehad maar kon niet langer om de feiten heen. Hij had ze vermoord, linksom of rechtsom had hij ze om het leven gebracht. De manier waarop was op dat moment minder belangrijk. Of hij vergif had gebruikt of ze opzettelijk in hulpeloze toestand had gehouden waardoor ze was overleden, het doel was het vermoorden van zijn vrouw. Niets minder dan dat
Hoe verder?
Het was november, zeven maanden na Inge’s overlijden, een moeilijke tijd, vooral voor mijn ouders. Ik dacht aan hen, aan hun kleinkinderen en anderen bij wie het verdriet misschien net een beetje begon te slijten. Hoe had ik in die situatie bij zoveel tegenwerking van politie en justitie een onderzoek af kunnen dwingen? Ik had geen antwoord en besloot de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege af te wachten.
Die uitspraak kwam op 17 februari 1982. Het college nam over wat B. en zijn dokter samen hadden bekokstoofd om elkaar vrij te pleiten. De klacht werd afgewezen met de volgende opmerkingen.
- Het was achteraf beter geweest als de arts een visite had afgelegd, hij had haar moeten onderzoeken en inlichtingen in moeten winnen over de aard van de vloeistof.
- Inge had hem niet gevraagd om een visite.
- De Hart hem niet had gevraagd om een visite
- Het college betwijfelde of vergiftiging met methylalcohol inderdaad de doodsoorzaak was.
Punt 1.
Ze lieten zich niet uit over het gevolg van het niet bezoeken. Los van de vergiftiging had het zomaar kunnen zijn dat ze bij een behandeling niet was overleden.
Punt 2.
Wie zegt dat ze niet om een bezoek van de huisarts heeft gevraagd?
Punt 3.
De Hart heeft waarschijnlijk zo op de huisarts ingepraat, hem zo’n onjuiste voorstelling van zaken gegeven dat die heeft afgezien van het afleggen van een huisbezoek, ook al wist hij dat het geen gelukkig huwelijk was. Dokter P. was een zwak persoon die door de manipulator B. gemakkelijk te beïnvloeden moet zijn geweest.
Wat ook een rol gespeeld kan hebben is dat de dokter waarschijnlijk alcoholist was. Het verhaal gaat dat hij om die reden uit zijn ambt is gezet. Als de man die dag onder invloed was verklaart dat waarom hij ondanks de ernst van de melding van een huisbezoek heeft afgezien.
Punt 4.
De twijfel van het college over de doodsoorzaak had genoeg reden moeten zijn om de zaak nader te onderzoeken. Het college had dit moeten melden aan justitie.
De klacht werd afgewezen waarop hoger beroep werd aangetekend. Het hoger beroep werd behandeld op 25 november van dat jaar. De uitkomst was hetzelfde, de slager keurde zijn eigen vlees goed.
Op de dag van het overlijden van mijn zus ben ik misleid en min of meer op het spoor van de huisarts gezet. B. manipuleerde niet alleen mij maar ook de huisarts, het politieteam en de officier van justitie. Hoe hij het voor elkaar kreeg is moeilijk te begrijpen maar hij deed het.
Zou een veroordeling van de arts hebben gedreigd dan had die wellicht meer losgelaten met betrekking tot de ware toedracht. Met de brief waarin hij de dokter bejubelde en mij verraadde heeft B dat willen voorkomen.
De reden waarom de arts geen visite heeft afgelegd is op zijn zachtst gezegd twijfelachtig. Welke arts die een melding van een vergiftiging krijgt binnen een stukgelopen huwelijk zou hebben volstaan met het advies aan haar man ‘hou ze in de gaten’. Dat bedenk je toch niet.
Met mijn nieuwe kijk op het gebeuren heb ik me op 1 juli 1981 schriftelijk tot meester E. Bos, officier van justitie te Dordrecht, gewend. Het resultaat was, ondanks alles wat werd aangevoerd, wederom een botte afwijzing.
De enige reden die ik hiervoor kan bedenken is dat er fouten zijn gemaakt door politie en justitie, i.c. meester Bos zelf. Enorme fouten, zo banaal, dom, dat het een beschamende vertoning zou zijn om maanden later toch een onderzoek te starten. Ik gebruik het woord starten omdat er geen sprake is geweest van iets dat met enig fatsoen een onderzoek genoemd had mogen worden.
Politie en justitie hielden de deuren gesloten en na de frustrerende uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege had we niets en gingen de daders vrijuit. Alles wat door mij en anderen was ondernomen om iets van de grond te krijgen, het was allemaal tevergeefs.
Om tegen de wind in iets voor elkaar te krijgen had ik twee jaar na het overlijden een enorme stennis moeten schoppen. Stennis van zo’n formaat dat het kranten zou halen. Mijn ouders, de kinderen, mijn broers en zussen, iedereen zou opnieuw heel zwaar worden geraakt. Zou ik mijn doel ermee bereiken? Ik had er geen antwoord op en dat heeft me anders doen besluiten. Ik moest stoppen, zag geen andere mogelijkheid.
Wat ik had ondernomen was echter niet voor niets geweest. De procedure bij het Medisch tuchtcollege had belangrijke stukken opgeleverd die het daglicht anders nooit zouden hebben gezien zoals het proces verbaal en de brief van B, voor mij persoonlijk zijn bekentenis.
Alle stukken bij elkaar vormden een waardevol dossier. De voorzienigheid had bewijzen geleverd over tal van tegenstrijdigheden ook al kon ik er op dat moment niets mee.
Dat stoppen was moeilijk. Ik heb me er overheen moeten zetten dat ik Inge wiens smartelijk vertrokken gezicht ik vaak voor me zag geen recht kon doen. Dat ik mijn ouders niet kon vertellen wat ik wist.
Het dossier deed ik in een blauwe map met linten die ik met pijn in mijn hart heb dichtgeknoopt. Hopend op later.
Op een dag zouden haar kinderen willen weten wat er was gebeurd. Dat moment lag ver in de toekomst maar het vertrouwen dat het zou gebeuren bood troost.
B. schermde na de begrafenis de kinderen af voor ons, de familie van hun moeder. Via via hoorden we sporadisch wat. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ze gevaar liepen want dan had ik het zeker niet laten rusten. Mijn moeder heeft haar kleinkinderen nooit teruggezien. Ze kwam in 1984 bij een verkeersongeluk om het leven. Begin jaren negentig hebben de kinderen heimelijk, zonder dat hun vader het wist, hun hun opa in Oost-Souburg opgezocht.
Inge werd begraven van de armen zoals dat heet. Volgens zeggen lagen er meer in het graf dat door de kleine onbeduidende steen nauwelijks te vinden was. Haar vader, mijn vader, heeft ze jaren later op een nette manier laten herbegraven.
Het duurde vijftien jaar voor ik contact met haar zonen kreeg. De vraag kwam wel eens bij me op of ik ze moest benaderen vanwege het dossier. Ik deed het niet. Het waren de kinderen van mijn zus die ik niet op wilde zadelen met problemen die een te grote impact hadden kunnen hebben op hun jonge levens.
Onvermijdelijk kwam toch de dag dat ze er kennis van namen.
De jongste van de twee was een schoonmaakbedrijf begonnen en had een klus in Den Bosch waardoor we elkaar soms zagen. Het deed me deugd hem in goede doen te zien. Ik hield het luchtig en meed het overlijden van zijn moeder als gespreksonderwerp. Het was niet mijn bedoeling om zijn leven en dat van zijn broer over hoop te gooien door ze tegen hun vader op te zetten.
Toen het overlijden bijna terloops toch ter sprake kwam zei ik iets over het dossier dat ik sinds 1983 bewaarde. Over de inhoud, met name de rol van zijn vader heb ik me niet uitgelaten. Ik hoopte dat hij het wilde lezen en zijn eigen conclusies zou trekken. Vragen wilde ik beantwoorden maar ik paste er voor om hem een bepaalde richting op te sturen.
Op een dag kwam hij met zijn broer om het dossier door te nemen. Ze gingen er vluchtig doorheen en waren snel weer weg. Het was leuk ze te zien maar die vluchtige interesse voor het dossier was een domper.
Al die jaren koesterde ik de hoop of nee, was ik er van overtuigd, dat ze ooit de waarheid zouden willen weten. Na het lezen zouden de vragen komen want de inhoud is moeilijk te bevatten en keihard waar het hun vader betreft. Het uitblijven van die reactie stelde teleur maar ik zei er niets over. Het dossier vertelt het verhaal. Daar hoefde en wilde ik ongevraagd niets aan toevoegen. Ze moesten zelf hun conclusies trekken, voor zichzelf een beeld vormen over wat er was gebeurd.
Tijdens een familiereünie een paar jaar later bleek dat mijn jongste neef het er toch moeilijk mee had. We regelden een tweede ontmoeting waarin hij samen met zijn vrouw het dossier doornam. Er kwam wat op gang maar het verhaal leek nog niet goed tot hem door te dringen. Of kon hij het nog niet accepteren vroegen we ons af.
Weer enige tijd later kwam hij met zijn broer om het dossier nogmaals door te nemen. De bedoeling was een kort bezoek net na de lunch. Ze bleven tot in de avond.
Het vermoeden dat ze geschrokken van de inhoud het verhaal in eerste instantie van zich af hadden geschoven leek te kloppen. Wat het dossier over hun vader vertelde was natuurlijk ook heel heftig. Het beeld dat ze als kind van hun moeder moeten hebben gehad was vertekend, niet best. Inge was een hele zachtaardige zorgzame lieve vrouw die door haar man is gekleineerd, misbruikt en bedrogen. De angst om haar kinderen kwijt te raken dwong haar steeds terug te keren naar de man die haar afschuwelijk heeft behandeld.
In de herinnering van de kinderen lag ze altijd op zolder en moet haar persoon vaak omgeven zijn geweest met somberheid, ongemak, depressies en verdriet.
Een opmerking van hun tijdens het lezen van het dossier betrof de echtelijke slaapkamer waar ze zou zijn overleden. ‘Wat gek, daar lag ze nooit, ze lag altijd op zolder’.
‘Hij heeft ze gewoon dood laten gaan’ was hun conclusie. De een sprak het uit, de ander stemde er mee in. Vanaf dat moment werd er open gesproken en kwam ik meer te weten.
Twee jaar na het overlijden van hun moeder hebben de jongens met hun vader een reis naar Indonesië gemaakt. Als er een extra motief was in de vorm van een levensverzekering dan is daar zoveel jaar later waarschijnlijk niets meer van terug te vinden. Het geeft wel te denken want er was nooit veel geld en hij was berekenend en een boekhouder.
Na het overlijden van hun moeder heeft hun vader ze materieel verschaft wat nodig was. Een knuffel hebben ze nooit gehad.
Het denken aan en het spreken over de gebeurtenissen had op mij een behoorlijke impact. Het herinnerde aan enorme teleurstellingen, aan verlammende machteloosheid en aan het grote onbehagen toen ik mijn pogingen om een onderzoek van de grond te krijgen moest staken.
Het klopte niet, toen niet en ook nu niet. Wat destijds onmogelijk leek maar desondanks gebeurde door het falen van politie en justitie zou nu onbestaanbaar moeten zijn.
Coldcases, femicide, staan als je de media mag geloven volop in de aandacht bij politie en justitie. Een politiekorps en een daar aan verbonden officier van justitie zouden er nu niet mee weg komen. Waarom toen wel?
Op die vraag formuleerde ik voor mezelf een paar antwoorden.
Daar was het talent van B om mensen voor zich te winnen. Hij heeft mij ontegenzeggelijk misleid, heeft dat talent ongetwijfeld ook ingezet bij de huisarts, politie en justitie.
Als grote verrassing kwam de mededeling van zijn jongste zoon dat hun vader voor een aantal mensen bij de politie Dordrecht al jaren de belastingaangifte verzorgde. Of dat ten tijde van het overlijden van mijn zus ook al zo was of dat hij ze daarmee misschien heeft gelijmd weten we niet. Het is allebei mogelijk want B kon zich mooi voordoen, was een gladde prater en wist als geen ander hoe hij iemand kon manipuleren.
De torenhoge drempels uit het verleden, de gevoelens van mijn ouders, tere kinderzieltjes, de obstakels bij politie en justitie, het was allemaal niet meer van toepassing. Mijn ouders waren overleden en de jochies van toen zijn volwassen en op de hoogte. De politie en justitie van 2024 waren niet de politie en justitie van begin jaren 80. Femicide, coldcases, staan in het middelpunt van de aandacht.
Lang hoefde ik er niet over te denken. Het werd tijd voor een onderzoek, het eerste onderzoek naar de waarheid.
Ik had niet de intentie om veertig jaar later een oude man op te sluiten. Hij heeft met zijn daden moeten leven. Dat zijn kinderen bij hem geen warmte hebben gevoeld, nooit zijn geknuffeld, had misschien te maken met het verleden. Hoe knuffel je de kinderen van de vrouw die je om het leven hebt gebracht?
Vanaf het moment dat mijn neven op basis van het dossier en eigen ervaring tot bepaalde conclusies waren gekomen zocht ik naar een manier om een onderzoek van de grond te krijgen. Doel was het vaststellen van die ene waarheid die zou leiden tot eerherstel en gerechtigheid voor Inge, onze overleden ouders, haar kinderen en ons, haar broers en zussen.
Wie of wat zou ik hiervoor kunnen benaderen? Wat direct in me opkwam was de Peter R. de Vries Foundation.
Het was geen coldcase in de gebruikelijke zin van het woord. Volgens de politie had er geen misdrijf plaatsgevonden, was er geen slachtoffer van een misdrijf en dus ook geen dader.
Wat was het wel? Een dwaling? Van een dwaling spreekt men als op grond van verkeerde aannames, vergissingen, uit overtuiging een fout pad volgt. Er is geen sprake van dwaling als voldoende bewijs is geleverd dat het gevolgde pad niet het juiste is en men desondanks doorgaat op de ingeslagen weg. De grote vraag blijft, waarom werd willens en wetens het verkeerde pad gevolgd.
Peter de Vries was nooit te bang om de politie op haar verantwoordelijkheid aan te spreken en hij liet zich niet afschepen. Helaas was hij er niet meer maar de Foundation was er wel.
Dat contact leverde jammer genoeg niets op. Kelly de Vries was van goede wil maar beschikte toen niet over de middelen noch de contacten om het onderzoek aan te zwengelen.
Kort na Vaderdag 2024 kreeg ik een telefoontje van mijn jongste neef. Hij vertelde dat zijn vader die in Kiev woonde, op die voor de meeste vaders feestelijke dag was overleden.
Even leek het de ideale oplossing van een probleem maar een dag later wist ik dat dat niet waar was. Integendeel, het maakte alles alleen maar triester. Nooit zou B zich hoeven te verantwoorden. Ondanks de verklaringen en aanwijzingen die in zijn nadeel spraken is hij er mee weg gekomen. Dat er tijdens zijn leven geen onderzoek had plaatsgevonden had nooit mogen gebeuren. Wie dat voor de volle honderd procent te verwijten viel sprak voor zich.
Ik besloot een klacht in te dienen over het optreden van politie en justitie. Dat deed ik op de voorgeschreven wijze via een klachtenformulier op de website van de politie gericht tegen de politie in de regio Dordrecht.
De behandelaar van de politie nam op 30 september 2024 telefonisch contact met me op. Hij sprak energiek, vol overtuiging en had het antwoord al klaar.
“Verschrikkelijk, te lang geleden, de rechercheurs waren uit dienst, leefden waarschijnlijk niet meer, er was geen dossier meer, enzovoorts.” Alles wat de man zei was er op gericht de boot af te houden.
Ik bracht er tegen in dat ik over het complete politiedossier beschikte en meer informatie had.
Hij was er niet blij mee, mijn mededeling leek hem zelfs van zijn stuk te brengen. Hij had het blijkbaar niet verwacht en zat er ook overduidelijk ook niet op te wachten. Aarzelend zei hij toe dat hij het intern zou bespreken.
Dat duurde niet lang.
Een dag later ontving ik een mailtje met een afwijzing. Gelet op het onderwerp een laffe, wederom weinig respectvolle reactie. Een tactvol telefoontje zag hij denk ik niet zitten.
Ruim veertig jaar na wat ik beschouw als de moord op mijn zus kreeg ik opnieuw een afwijzing en weer zonder dat er ook maar iets van een onderzoek had plaatsgevonden. Sterker nog, men nam zelfs niet de moeite om het dossier te bekijken. Twee dagen later ontving ik een mailtje met een vergelijkbare afwijzing van de verbonden officier van justitie.
Te lang geleden is een argument van niks als het om moord gaat. Waarom al die activiteiten rond coldcases? Kosten nog moeite worden gespaard om misdrijven die jaren geleden hebben plaatsgevonden op te lossen, wat overigens hartstikke terecht is.
Hier speelt iets anders. Als het om eigen tekortkomingen gaat lijkt het optreden van politie en justitie in de betreffende regio een hypocriete vertoning. Die openlijke drang naar waarheidsvinding is blijkbaar alleen van toepassing als het om misstappen van een ander gaat. Een schandalige houding waarvan ik niet geloof dat dit model staat voor alle politie en justitie in dit land. Iets deugt er daar in Dordrecht niet.
Personen bij politie en justitie die over zo’n geschiedenis heen kunnen stappen zouden bij zichzelf te rade moeten gaan en zich af moeten vragen of ze wel op de juiste plek zitten.
De wrange realiteit van 1981, waar ondanks alle bezwarende informatie geen enkele belangstelling was voor een onderzoek, lijkt zich te herhalen.
Femicide en coldcases staan landelijk meer in de belangstelling dan ooit maar de politie Dordrecht en de officier aldaar maken andere keuzes als het om eigen fouten gaat.
De Nationale Ombudsman is de instantie waar men terecht kan met klachten over de politie als die de tegen haar gerichte klacht niet, of niet afdoende in behandeling neemt.
Op 25 november 2024 heb ik een uitgebreid schrijven van 8 kantjes met 12 bijlagen aangetekend verzonden naar de Nationale Ombudsman.
Toen ik na heel lang wachten nog geen reactie kreeg nam ik telefonisch contact op. De brief met bijlagen waren zoek. In maart stuurde ik een foto van het verzendbewijs plus kopieën van de brief met de bijlagen op. Shit happens, ik was blij dat het eindelijk aandacht kreeg.
In het daarop volgend telefoongesprek met de vrouwelijke behandelaar ontving ik veel begrip en medeleven. Gesterkt wachtte ik het vervolg af.
Het duurde opnieuw lang voor ik gebeld werd door een dame die het van haar collega had overgenomen. Waarom dat zo was zei ze niet.
Het gesprek dat volgde stond in schril contrast met het gesprek met haar collega. Deze dame wilde geen kant op, hield de boot af en draaide overal omheen met de duidelijke intentie om er van af te komen. Uiteindelijk zei ze me toe dat ze de politie om een reactie zou vragen.
Die reactie was ‘te lang geleden’. Deze dooddoener werd letterlijk zo door de dame van de Nationale Ombudsman overgenomen en aan mij doorgegeven. Niets aan te doen was haar conclusie.
Voor zover de bemoeienis van onze Nationale Ombudsman.
Ik had veel tijd en energie verspild met het kopiëren en aangetekend verzenden van het dossier dat vervolgens zoek was. Dat maandenlange wachten en de vele nutteloze telefonische contacten waar verwacht werd dat je altijd maar netjes bleef, het was tenenkrommend.
Al voor het laatste gesprek waar ik niets meer van van verwachtte trok ik mijn conclusie. Helemaal klaar met overheid en doofpotprocedures zou ik het op papier zetten. Een beschrijving, een reconstructie voor iedereen die wil weten wat, hoe en waarom.
Inge was bij aanvang van haar huwelijk een mooie jonge vrouw die gretig naar de toekomst in het leven stond. Ze is alles kwijt geraakt door toedoen van een man, haar man. Haar rechten als mens zijn haar na haar dood met een tussentijd van veertig jaar twee keer ontnomen door een falend politiekorps en falende officieren van justitie.
In 1983 moest ik het dossier noodgedwongen sluiten. Van de inhoud was niet alles tot me doorgedrongen, veel was ik in de loop der jaren ook vergeten. In november 2024 heb ik voor het eerst het hele dossier doorgespit en er alle nieuw verkregen informatie aan toegevoegd.
De conclusie is dat het zinloos is de dader te verwijten dat hij niet werd gestraft voor zijn daden.
Helemaal vrijuit is B niet gegaan. Mijn oudste broer heeft hem met iets kleins denk ik toch gevoelig weten te raken. Zijn vrouw vertelde op een dag dat hij op het matje had moeten komen bij de officier van justitie.
Mijn broer grijnsde bij de herinnering.
‘Ik stuurde hem om de zoveel weken een kaartje.’
‘Een kaartje?’
‘Ja, eens in de maand.’
‘Hoezo. wat schreef je dan?’
‘Oh niets bijzonders, alleen maar “De groeten van je vriend”.
‘Wat zei de officier?’
‘Dat ik er mee op moest houden, dat heb ik toen maar gedaan.’
Hij haalde zijn schouders op ‘Ik moest iets’
Een beetje kinderachtig, grappig maar een beetje kinderachtig. Het paste niet bij hem om zoiets te doen.
Later ben ik het gaan waarderen. Het stelde niet veel voor maar het heeft B ongetwijfeld bezig gehouden. Met wat hij op zijn kerfstok had moet het hem niet lekker hebben gezeten. Je weet maar nooit waar toe iemand toe in staat is. Daar wist hij alles van.
J. C. Stoltink
10 april 2026

Inge
Familiefoto’s geven een mooi beeld van hoe ze als peuter was. Donkere ogen die timide de wereld in kijken vanuit een blank bijna wit gezichtje omlijst door prachtige zwarte krullen. Zo zou ze altijd blijven, zachtaardig, bescheiden, verlegen de achtergrond zoekend. Ze was geen hoogvlieger, geen haantje de voorste, niet uitbundig, eerder stil, een beetje onzeker.
Ze had iets kwetsbaars daarom heb ik ze behalve met de cake’s die ze op de huishoudschool bakte nooit geplaagd. Er viel geen eer aan te behalen want ze gaf geen tegengas, dat zat er gewoon niet in. Misschien daarom, vanwege dat kwetsbare, had ik een zwak voor de jongste van mijn oudere zussen.
Nadat ze de huishoudschool had afgerond ging ze in de bejaardenzorg werken en kocht zodra ze het bij elkaar had gespaard een splinternieuwe Batavette.
Toen ze nog maar net een inkomen had nam ze me mee naar de stad, waar ze een zwarte spijkerbroek en een blits rood/zwart gestreept T-shirt voor me kocht. Dat was heel bijzonder want ik liep in afdankertjes van mijn broers en kreeg zelden wat nieuws. Daar had ik nooit moeite mee maar dat ze zomaar nieuwe kleren voor me kocht dat deed me wel iets.
B. was als KVV’er gelegerd in Duitsland. In de weekenden kwam hij over. Toen ze na zijn diensttijd samen bij ons woonden kocht hij een nieuwe auto. Niet lang daarna schonk Inge me in het bijzijn van B haar Batavette waar ze zo hard voor had gespaard. Hij was goed onderhouden en goed te verkopen maar ze gaf hem aan mij. Ze zei nooit veel maar het was een schat en ik kon goed met B opschieten.
Waardering was iets waar Inge in haar te korte leven naar heeft gehunkerd en te weinig heeft gekregen. Die waardering was er zeker wel maar werd zelden uitgesproken. Wel van de kant van mijn ouders. Die gaven haar veel aandacht en waren dol op de kinderen, hun kleinkinderen. Inge was een zorgzame jonge moeder waar ze trots op waren maar waar ze ook heel bezorgd om moeten zijn geweest. Mijn vader was tegen het huwelijk omdat hij had gehoord en misschien ook zelf meegemaakt dat B zijn dochter niet altijd netjes bejegende. Hij heeft het tegen willen houden maar zijn dochter zette door en dan sta je als vader machteloos.
Ze was in de eerste jaren van het huwelijk een goede moeder, een mooie jonge vrouw. In Ossendrecht, het dorp waar ze verstoken van alles en iedereen waren gaan wonen leek ze haar levenslust te verliezen. Ik heb ze met een vriendin begin jaren zeventig opgezocht. Ze was hartelijk maar stil, maakte een wat uitgebluste indruk. Er hing een armoedige eenzame sfeer in huis, B was er niet hoewel het rond etenstijd was. Ze at met de kinderen rijst met soep en dat was het. B hield van mooie dingen en beheerde het geld. of dat armoedige daarmee te maken had, ik denk het wel.
In 1973 beschuldigde ze hem er in het bijzijn van ons en onze ouders huilend van dat hij een relatie had met iemand op zijn werk. Hij ontkende maar iedereen zag dat het waar was.
We zagen elkaar zelden, soms op een verjaardag. Dan leek het goed te gaan maar dat was misschien schijn. Ze was geen partij voor hem, altijd de underdog, het sloofje. Dat ze met het leven dat ze leidde last van depressies kreeg was geen wonder. In een gelijkwaardige setting zou ze vroeg van hem zijn gescheiden maar ze had noch de moed noch de kracht en liet zich tot het einde toe manipuleren.
Ik herinner me haar het liefst zoals ze was, een lieve zus, een goede moeder voor haar kinderen.
Tot besluit
In 1981 overleed een jonge vrouw onder verdachte omstandigheden. Was het moord of zelfmoord? Ondanks de vele signalen dat er mogelijk sprake was van een misdrijf werd er geen onderzoek ingesteld.
“We vinden het zo erg maar wat doen we nu echt tegen femicide?” (Brabants Dagblad van 19 januari 2026 over de vierdelige documentaire Femicide)
De overheid lijkt er tegenwoordig voor te gaan als het om geweld tegen vrouwen gaat maar dat gaat niet op voor de politie en justitie in de regio Dordrecht. Wat daar in de jaren tachtig speelde was geen incident. Hoe anders is te verklaren dat de grove schande een jonge moeder en haar familie vijfenveertig jaar geleden aangedaan, zonder teken van berouw of terughoudendheid een vervolg kreeg in het heden.
Zoals toen vond ook nu geen onderzoek plaats terwijl het een uitgesproken kans was om aan te tonen dat een verdenking van femicide tegenwoordig ook in Dordrecht serieus wordt genomen.
De omstandigheid dat de politie en justitie daar in 1981 fout op fout hebben gemaakt en aantoonbaar bij hebben gedragen aan het verhullen van een misdrijf maakt het belang van een onderzoek alleen maar groter.
Met de verwerpelijke houding om zelfs geen kennis te willen nemen van het dossier rond zo’n ernstige zaak is het alsof zij zich scharen achter hun voorgangers en zich louter richten op het beschermen van hun reputatie. Dat ze daarmee wederom op een ongelofelijk botte manier voorbij gaan aan de belangen van het slachtoffer en haar familie lijkt ze niet te deren.
Politie en justitie Dordrecht, het is verwijtbaar wat u doet, volkomen respectloos.
De maatschappij is in al haar geledingen niet volmaakt, verre van dat, maar we doen onze best. Dat blijkt uit het bos van regels en procedures allemaal bedacht om indien nodig de geloofwaardigheid van ons systeem te testen.
De formele route om dit falen van politie en justitie aan de kaak te stellen dan wel tenminste bespreekbaar te maken bleek een doofpotconstructie, lang, energie slurpend, zinloos.
Moe van de inspanningen langs de formele weg besloot ik dat achter me te laten en me te richten op het beschrijven en documenteren van de gebeurtenissen. Een serieuze verdenking van femicide in dit geval twee keer afgedaan met je reinste karaktermoord mag niet onbesproken blijven.
Deze beschrijving is een weergave van onze, in het bijzonder mijn, ervaringen met politie, justitie en het instituut Nationale Ombudsman. De bijlagen ondersteunen mijn verhaal over het volgens politie en justitie Dordrecht verzonnen misdrijf.
Dossier:
Dit heeft grote invloed op mijn leven gehad, ik hoop mee te maken dat dit onrecht wordt recht gezet.
Contact: